7 MAATSCHAPPIJ EN MENTALITEIT

POLITIEKE BENOEMINGEN

VROEGER EN NU      (2012)

De politieke benoemingen en de afslanking van het overheids-apparaat stonden tijdens de laatste weken andermaal in de belangstelling.

Zolang er geen nieuwe federale regering was, bleven - op Belgisch niveau - heel wat benoemingsdossiers in de schuif liggen.

Sinds het aantreden van de regering di Rupo is dit veranderd.

Niet alleen in de staatsadministratie zelf maar ook in de raden van bestuur van de federale overheidsbedrijven kan er opnieuw benoemd worden.

In DS (20 febr. 2012) stelde Guy Tegenbos vast dat de neiging om te waken over het “politiek evenwicht” bij het verlenen van topfuncties weer de kop opsteekt.

Hij schrijft: “Die neiging om politieke benoemingen te doen, is een ware verslaving.”

 

DUALITEIT VLAANDEREN-WALLONIE

Merkwaardig genoeg komt -ook hier !- de dualiteit tussen  Vlaanderen en Wallonië andermaal naar voor.

De Vlaamse publieke opinie ergerde zich steeds meer over politieke benoemingen.

Daarom ook poogde de Vlaamse Regering aanwervingen en bevorderingen op een meer objectieve wijze te laten verlopen.

In de Franstalige politieke cultuur heeft men evenwel heel wat minder last van dergelijke overwegingen.

Waalse politici zien er helemaal geen graten in zich van de staat te bedienen.

Zo verzette de PS zich tegen een voorstel om de selectie van de beheerders van de Dexia bank toe te vertrouwen aan een onafhankelijke “headhunter”. 

De huidige eerste minister betreurt overigens dat er tijdens de laatste jaren, onder druk van de Vlaamse mentaliteit  en op initiatief van Bruno Tuybens (SP.A) “onafhankelijke bestuurders” aangesteld werden.

Die hebben geen “politieke kleur”. Stel u voor !

Elio Di Rupo vindt dat men zo niet kan werken.

Daarom vroeg hij aan de partijen dat zij een lijst zouden opmaken van “wie van hen” is.

Enkel een dergelijk “kadaster van de politiek benoemden” kan de Belgische regering in staat stellen om een oplossing te vinden voor haar interne benoemingsruzies.

Omdat Vlaanderen samen met Wallonië en Brussel behoort tot éénzelfde “Belgisch systeem” sijpelen dergelijke praktijken fataal ook door aan de andere kant van de taalgrens.

Of zoals een gezegde luidt: “Wie bij de hond slaapt, krijgt last van zijn vlooien”.

 

DE ANTI-STAAT

 

De nakende benoemingen bij de “Dexia Holding”, bij “Belgacom” en bij “Brussels Airport”, enz. vormen dan ook het voorwerp van schaamteloos politiek gesjacher.

Dit alles is uiteraard niet erg bevorderlijk voor de kwaliteit van het overheidsapparaat !

Het respect voor “de staat” en het vertrouwen in een onafhankelijk ambtenarenkorps takelen dan ook zienderogen af bij de brede lagen van de bevolking.

Toen ik eind jaren zestig van de vorige eeuw studeerde aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen kregen wij college van Prof. Libert Vander Kerken.

Die jezuïet velde - toen reeds ! - een vernietigend oordeel over België.

Vander Kerken, een man met hoge morele kwaliteiten, was zeker geen populist, laat staan een demagoog !

Wel integendeel !

Die rationele denker, die zeer goed op de hoogte was van de staatsfilosofie van Hegel omschreef België als “ de anti-staat”.

Hij wees er op dat nergens de wetten sterker met de voeten getreden werden dan in dit land.

Libert Vander Kerken stelde dat dit een nefaste invloed had niet alleen op “de staat” maar ook op het morele besef van de gewone burger.

Dit is bijzonder jammer omdat onze Nederlanden kunnen bogen op een heel andere traditie.

 

EEN VOORBEELD UIT HET EINDE VAN DE 17DE EEUW

 

In onze gewesten leefde inderdaad reeds eeuwen geleden de bekommernis voor een degelijk overheidsapparaat bestaande uit onkreukbare ambtenaren. 

In het archief van de ambachten van Brussel berust een zeer merkwaardig document waarin dit probleem wordt aangekaart.  

Een correcte behandeling van de burgers vergde ook een onkreukbaar korps van rechters en ambtenaren die benoemd waren omwille van hun deskundigheid en niet omdat zij hun ambt hadden gekocht.

Dit was ook de mening van de “boetmeesters”, d.w.z. hoofden van de negen naties.

Zij dienden op het einde van de zeventiende eeuw een rekwest (Algemeen Rijksarchief , Ambachten van Brabant nr. 1006) in bij de keurvorst.

Hem werd gevraagd niet langer ambten van magistraat of andere te verlenen in ruil voor giften en voorgeschoten gelden.

Zij vroegen m.a.w. dat: “gheene officien van magistrature nochte andere deser stadt en souden voorsien worden door giften ende gaven, anticipatien van penninghen voor interest ende anderssins”.

De boetmeesters der naties hadden immers vastgesteld “dat verscheyde eergierighe trachten door de voorschreven middelen wederom te komen tot de ampten van magistrature ende andere diensten deser stadt”.

Dit leek hen een nefaste ontwikkeling omdat de ambten meestal niet gekocht werden door de best gekwalificeerde mensen terwijl “het nochtans betaemelyck ende noodsaeckelyck is dat de goede ende capabelste tot de digniteyten, sonder gifte ofte gaven, door hunne eyghen verdiensten worden verkosen.”

In een opmerkelijk betoog baseerden de boetmeesters van de Brusselse naties zich onder meer op antieken als Seneca, Severus, Trajanus en Justinianus.

Zij zochten daarnaast ook argumenten in de eigen Brabantse geschiedenis.

Zij steunden op het advies dat hertogin Aleidis (+1273) destijds had ingewonnen bij Thomas van Aquino, op het Charter van Kortenberg (1312) van hertog Jan II, op de Blijde Inkomsten en op de “andere edicten van dese landen ende de particuliere previlegien deser stadt Brussele”.

Al die teksten moesten aantonen dat het verkopen van ambten nefast was.

Daarom mocht geen kandidaat tot een ambt of waardigheid worden toegelaten tenzij hij voordien onder ede verklaard had in ruil voor dat ambt niets gegeven of beloofd te hebben:

“dat niemandt tot eenighe publiecke ampten ofte digniteyten sal worden gheadmitteert, ten zy al voren eedt ghedaen te hebben van daer voor niet te sullen gheven, ghegeven oft belooft te hebben”.

De Brabantse vorsten waren, zo betoogden de leiders van de naties, zich bewust van de nadelen die “uyt dierghelycke geldt negociatien komen te resulteren”.

Dit was in de eerste plaats nefast voor het aanzien van dergelijke magistraten.

Op die manier zetelden er immers “eer-gierighe koopers van ampten ende digniteyten” in de rechtbanken

Welnu: dit ondermijnt het gezag van de justitie (“de authoriteyt ende administratie van justitie komt daer door oock al in misachtinghe”).

Bovendien - zo vervolgden de boetmeesters - zouden dergelijke kopers van ambten nooit het respect genieten waarover degenen zich mogen verheugen die “door hunne eyghen deught ende goede diensten tot de publiecke ampten komen verkosen te worden”.

Meer nog !

“Als men de goede daer laet ende de quaede voor hun geldt prefereert”, dan dreigen mensen die er op die manier “gekomen” zijn, later met andere mensen te handelen op dezelfde wijze als zij voor zichzelf hebben geageerd.

Dergelijke praktijken zijn daarentegen volslagen onbekend “aen de ghene die door hunne goede manieren ende rechtsinnigh leven de publiecke ampten hebben verdient”.

Of nog duidelijker : wie er geen graten in zag om voor zichzelf een ambt te kopen, dreigt achteraf ook het gerecht en de rechtvaardigheid voor geld te verkopen

De Brusselse boetmeesters verklaren dan ook uitdrukkelijk: “wie en sal gheen achterdencken hebben dat de justitie sal verkocht worden door deghene die de ampten door geldt komen te kopen”.

Ten slotte voerden de hoofden van de naties nog een andere overweging aan.

Inderdaad !

Wanneer dergelijke praktijken geduld werden, zouden eerlijke mensen ontmoedigd raken om zich nog verder deugdzaam en rechtzinnig te gedragen:

“van den anderen kant wat iever kander wesen om sich te vervoorderen in deught ende scientien, als men siet dat men alleenelyck met geldt kan gheraecken tot de magistraturen waer toe men alleenelyck soude moeten gheroepen worden door den goeden naem ende faem die men verkryght met wel te doen”.

In navolging van keizer Justinianus besloten de hoofden van de Brusselse naties dan ook kort en goed:

“Het verkoopen van officien is het beginsel ende het eynde van alle quaedt”.

Daarom drongen zij er bij de keurvorst op aan ervoor te zorgen dat het nieuwe stadsbestuur zou bestaan uit onberispelijke mensen.

Zij vroegen “een nieuwe magistraet van irreprochable mannen die sonder giften ende gaeven tot de magistrature sullen worden gheroepen”.

Zodoende zou overigens ook de vorstelijke resolutie van 30 januari 1698 gerespecteerd worden.

DE GELOOFWAARDIGHEID VAN CD&V

23 februari 2012

 “Als de CD&V verdwijnt, dan is dat maar zo” titelde DS weekblad op zaterdag 18 febr. 2012.

Rik Torfs had zijn moment goed gekozen.

Eens flink uithalen levert altijd wel wat aandacht in de media op. Zeker vlak voor het nieuwsluwe Krokusverlof !

De CD&V senator vindt dat zijn partij (!) veel sterker moet opkomen voor haar christelijke identiteit.

Bij het lezen van Torfs’ pleidooi dacht ik spontaan terug aan een bijdrage die ik in 1984 schreef  voor “Vlaanderen Morgen”, het tijdschrift van Hugo Schiltz.

 

In dit artikel (destijds gepubliceerd onder de naam van mijn broer  Jozef De Ridder) formuleerde ik een aantal bedenkingen bij het  tweede deel van Karel Van Isacker’s: “Mijn land in de kering” (1).

Dit tweede deel draagt als titel “De enge ruimte” en is gewijd aan  de periode (1914-1980).

 

Daarin beschrijft deze jezuïet de groei van een zielloze materia-listische maatschappij die zich vooral na 1945 krachtig doorzette .

Het resultaat van die ontwikkeling was volgens Van Isacker een “verfoeilijk systeem” waarin de mens enkel nog telt voor zover hij door zijn consumptie de economische bedrijvigheid in stand houdt.

Zo groeide een “dwaze wereld van onbeperkt comfort waaraan de echte waarden ten onder gingen.

De overgang werd vergemakkelijkt door de onverschilligheid van het publiek dat de ogen sloot voor de vragen van het openbaar leven en zorgeloos leerde genieten van de aantrekkelijke welvaart.”

Dit leidde, aldus steeds Van Isacker, tot een samenleving die om haar ongerechtigheid verwerpelijk is en waar zowel het natuurlijk als het geestelijk leefmilieu van de mens verloederd wordt.

De conclusie van deze jezuïet die gedurende twee jaar (1968-1970) mijn leermeester was aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, is keihard:

“De geschiedenis van de kering wilde aantonen hoeveel wijsheid en levenskunst in anderhalve eeuw verloren ging en hoe verderfelijk het systeem is dat de mens tot slaaf maakte van een productie waarop slechts enkelen gedijen. Geen sereen objectief werd hier bedoeld maar een aanklacht tegen wat en wie aansprakelijk is voor het onrecht in onze naar de dood gerichte beschaving.”

Tegenover dit naar de ondergang voerend materialisme stelt Van Isacker als mogelijke uitweg een bekering tot God en tot de geestelijke waarden.

Tot zover de stelling van Karel Van Isacker in “Mijn land  in de kering”.     

Reeds in 1984 wees ik - als één der weinigen -  op een nogal merkwaardige paradox.

Inderdaad !

De mensonwaardige en onrechtvaardige samenleving (die zich tussen 1914 en 1980 in Vlaanderen ontwikkeld had) was immers niet het werk van atheïsten, communisten of vrijdenkers.

Deze mensonwaardige samenleving had zich integendeel ontwikkeld in een periode waarin - zeker in Vlaanderen – uitgerekend … de katholieke partij quasi onafgebroken aan de macht was …

Ook vrijzinnige historici en politicologen hebben meermaals de aandacht gevestigd op de enorme invloed uitgeoefende door  het partijkatholieke machtsapparaat.

Dit had en heeft ingrijpende gevolgen op het maatschappelijke en politieke leven in Vlaanderen.

Zowel de “Politieke Geschiedenis van België” (1985) van Prof. Dr. E. Witte en Prof. Dr. J. Craeybeckx (VUB) als de “Geschiedenis van Vlaanderen: van de oorsprong tot heden” (1983) beschrijven hoe het katholieke establishment er telkens weer in geslaagd is nieuwe maatschappelijke groepen te integreren in de bestaande orde, en meer bepaald in de katholieke zuil.

Men hoeft geen specialist in kerkgeschiedenis te zijn om te weten dat - telkens wanneer partijen misbruik maakten van het  evangelie om hun eigen machtsposities uit te bouwen - dit bijzonder nefast is geweest niet alleen voor die samenleving maar ook voor de Kerk zelf.

Uiteraard hebben individuen het volste recht om zich in hun maat-schappelijk engagement te laten leiden door een geloof in een persoonlijke God.

Het doet daarbij trouwens niets ter zake of die nu de naam draagt van Christus, Jahweh of Allah.

Wanneer iemand daarin de inspiratie vindt om zich als een goed mens zich voor anderen in te zetten, kan dit enkel maar worden toegejuicht ! 

Christenen kunnen zich op politiek-maatschappelijk vlak laten leiden door beginselen van het nationalisme, liberalisme, socialisme of andere stromingen.

Op die manier doordesemen zij die politieke ideologieën met een eigen christelijk ferment.

Zij moeten dat echter steeds doen in samenwerking met andersdenkenden.  

De gezamenlijke inzet van gelovigen en vrijzinnigen voor éénzelfde politiek maatschappelijk ideaal heeft trouwens een bijkomend voordeel.

Op die manier wordt immers concreet gewerkt aan de uitbouw van een verdraagzame samenleving, gedragen door een authentiek pluralisme.

Het is echter verwerpelijk wanneer men godsgeloof, evengoed als vrijzinnigheid trouwens, gaat gebruiken als een criterium  voor partijvorming of een middel voor machtsverwerving.

In die zin zijn wij het dan ook fundamenteel oneens met het pleidooi van Rik Torfs.

De christelijke waarden mogen niet gebruikt worden om zich te onderscheiden van andere partijen.

Wij zijn en blijven het dan ook volmondig eens met een uitspraak van wijlen professor Herman Emiel Mertens in zijn boek “Christenen in dialoog met de wereld” (1971).  

“Geloof en politiek zijn twee. Daarom moeten kerk en staat liefst gescheiden zijn. Daarom ook liefst geen confessionele partijen.”

Ondanks de hiervoor geformuleerde bedenkingen vinden wij het positief dat Rik Torfs een oproep doet om na te denken.

Hopelijk spoort dit sommige van zijn partijgenoten ertoe aan om af te stappen van het goedkope discours dat de laatste tijd weerklinkt in CD&V kringen.

 

Een paar voorbeelden:

In Terzake (20 febr. 2012) haalde Erik Van Rompuy uit naar de N-VA. Die partij zou enkel uit zijn op “separatisme”.  Van Rompuy had smalend over een partij met “een simplistisch verhaal” en voegde er aan toe: “Maar daarmee lossen wij de problemen niet op”

Een ander subliem argument van de CD&V is vandaag dat de N-VA de gemeenschappen tegen elkaar uitspeelt (DS 20 febr. 2012).

Nikolas Cloet (DS 21 febr. 2012) fulmineert niet alleen tegen het “zielloze neoliberalisme” maar ook tegen “het collectieve egoïsme dat ten grondslag ligt aan het nationalisme en het extremisme”. Hij hekelt “de segregatie tussen de verschillende culturen in onze samenleving waarbij elke verbondenheid zoek is…”

Terloops: een paar maand geleden publiceerde uitgerekend Bart De Wever een boek met als titel “Werkbare waarden”. 

 

(1)         Deze tekst verscheen in “Vlaanderen Morgen” (1984/3) onder de naam van Jozef De Ridder (1935-2007) maar werd in werkelijkheid geschreven door zijn broer Paul De Ridder.

MIGRATIES ZIJN NIET NIEUW

Mensen zijn vaak geneigd om maatschappelijke ontwikkelingen als totaal nieuw en specifiek voor hun tijd te zien.

 

Zij geloven als eersten met dergelijke uitdagingen geconfronteerd te worden.

 

Omdat zij zich niet realiseren dat vroegere generaties, reeds eeuwen geleden, analoge ontwikkelingen hebben beleefd, groeien sommige maatschappelijke veranderingen uit tot schier onoplosbare problemen.

 

Een typisch voorbeeld in dit verband vormen de migraties.

 

De inwijking van mensen uit een andere cultuurgebied in onze West-Europese samenleving lijkt voor sommigen uit te groeien tot een ware obsessie: onze beschaving zelf zou bedreigd zijn.

 

In werkelijkheid echter is heel de geschiedenis één grote aaneenschakeling van migraties.

 

Telkens weer hebben volkeren mensen met andere culturele tradities opgenomen.

 

Soms groeiden dergelijke migraties uit tot regelrechte volksverhuizingen die niet altijd vreedzaam verliepen (denken we maar aan de Germaanse invallen in het Romeinse Rijk).

 

Meestal echter bleef dit fenomeen beperkt qua omvang.

 

Het waren relatief kleine groepen die immigreerden in een of andere maatschappij.

 

Een en ander leidde regelmatig tot wrijvingen.

 

Vooral in tijden van tegenspoed werden migranten scheef bekeken. "Wij hebben het al zo moeilijk en nu komen hier op de koop toe nog die vreemdelingen bij !" was en is een veelgehoorde klacht.

 

Anno 1733 kwamen de wethouders van Brussel tot de vaststelling dat

 

"een groot getal van vremde ende ledighgaenders in groote menighte de inwooners deser stadt (Brussel) quaemen te quellen ende wegh te nemen de aelmoesen ende het broodt het welck aen de armen deser stadt was toecommende".

 

Deze uitspraak doet wel zeer sterk denken aan ook heden ten dage vaak gehoorde grieven tegen Turken en Marokkanen die hier zouden komen profiteren van de werklozensteun, het kindergeld en de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

 

Een andere grief sluit daar onmiddellijk bij aan: de migranten nemen het werk af van de autochtone bevolking.

 

Ook hier is er niets nieuws onder de zon.

 

Zo deden een aantal Brusselaars er destijds hun beklag over "datter dagelijkckx veele officien worden bedient door vremdelinghen ende onbequaeme persoonen ... tot naerdeel vande ingeborelingen het welcke veroorsaeckt datter veele familien ten onderen gaen ter oorsaecke dat de vremdelingen de preferentie hebben gelijck oock blijckt bij de arme lanterne ontstekers dewelcke meest vremdelingen sijn".

 

Ook tijdens het Ancien Régime pikten heel wat mensen het niet dat het "openbaar ambt" zou worden opengesteld voor migranten.

 

Waar hebben wij dit nog gehoord ?

 

Bovendien stond het destijds voor heel wat mensen als een paal boven water dat de vreemdelingen eveneens verantwoordelijk waren voor de toenemende criminaliteit.

 

Dit blijkt ondermeer uit een ordonnantie van Maria-Theresia.

 

Anno 1755 stelde deze keizerin zeer uitdrukkelijk : "de grote menighte der ingesetenen dier zyn in onse stadt Brussel ende het groot getal van vremdelingen dier van alle kanten aenkomen hebben van alle tijden sonderlinge oplettentheyt vereyscht om aldaer te handthaven het goet order ende om de algemeyne ruste te versekeren tegens de excesse, dieverijen ende straetschenderijen dier meermaels bedreven worden...".

                                                  

Telkens weer blijkt dat de aanwezigheid van migranten vooral in tijden van crisis als een probleem aangevoeld werd.

 

Meermaals beschouwde men hen zelfs als de directe oorzaak van alle moeilijkheden.

 

Dit is ook vandaag het geval.

 

De vervuiling en verkrotting van sommige buurten wordt door velen zondermeer toegeschreven aan Turken en Marokkanen.

 

Daarbij wordt dan wel een loopje genomen met de historische realiteit.

 

Reeds jaren vóór de massale immigratie waren hele buurten in Brussel aan een steeds verder schrijdende verloedering overgeleverd.

 

Vanaf het einde der jaren vijftig raakte Brussel (en andere steden) steeds minder leefbaar door het blinde winstbejag van sommige zakenlui en speculanten enerzijds en door de zwakheid en zelfs medeplichtigheid van sommige gezagsdragers anderzijds.

 

Op hen rust de verpletterende verantwoordelijkheid voor de teleurgang van wat van oudsher de brandpunten bij uitstek van onze Europese beschaving zijn geweest : de steden.

 

De bevolking trok weg naar het groene ommeland dat in de kortste keren uitgroeide tot een half of helemaal verstedelijkte zone.

 

In het specifieke geval van Brussel leidde dit op de koop toe tot een bijkomend probleem : de toenemende verfransing van het randgebied.

De stad zelf  bleef ontvolkt en verkrot achter.

 

Heel wat huizen stonden leeg enkel minder gegoeden en marginalen wilden er nog wonen.

 

Op die manier werden de voorwaarden geschapen voor een massale en ongeordende immigratie.

 

Het door ons geschapen vacuüm werd opgevuld.

 

Dat, ondanks de waarschuwingen van sommigen, een echt beleid al te lang uitbleef kon de toestand enkel maar verergeren.

 

In die omstandigheden is het natuurlijk bijzonder gemakkelijk en goedkoop de migranten de schuld te geven voor onze eigen nalatigheid.

 

De sociaal zwakkeren vormden altijd al een gemakkelijke zondebok, zeker wanneer zij bovendien door hun taal, cultuur en zelfs uitzicht duidelijk "herkenbaar" zijn.

 

Wil dit zeggen dat de migranten geen bijdrage moeten leveren tot de oplossing van dit probleem ? Allerminst !

 

Volkomen terecht mag van hen worden verwacht dat zij zich zouden aanpassen aan de geplogenheden hier te lande.

 

Ook zij moeten volop meewerken aan de heropbouw van een menswaardige en leefbare stad.

 

Zij moeten vooraan staan wanneer moet worden opgetreden tegen misbruiken van eigen mensen evengoed als wij dat moeten doen tegen diegenen die zich niet aan de spelregels in onze samenleving houden.

 

Overigens - en ik spreek hier uit zeer concrete persoonlijke ervaring als bewoner van de Sint-Gorikswijk in het hart van Brussel - blijken veruit de meeste ongemakken (wanneer die er zijn) niet veroorzaakt te worden door Turken en Marokkanen maar integendeel door Belgen.

 

Het zijn laatstgenoemden, veelal afkomstig uit de zgn. betere kringen, die bijvoorbeeld verantwoordelijk zijn voor nachtlawaai en andere milieuhinder vooral tijdens het week-end.

 

Over dit soort milieuhinder die nu eens niet door de industrie maar wel door de gewone burger veroorzaakt wordt, hoort men echter zeer weinig.

 

Ook de overheid besteedt totaal onvoldoende aandacht aan dit probleem dat nochtans een zware hypotheek legt op de leefbaarheid van de stad.

 

Ongetwijfeld bestaan er tussen ons en de migranten culturele verschillen. Maar is dat werkelijk zo'n ramp ?

 

Overigens onderhield Europa van oudsher intense relaties met

de Arabische wereld.

 

Dat die niet altijd vreedzaam zijn verlopen doet hieraan geen afbreuk.

Trouwens ook binnen Europa zelf hebben volkeren en vooral staten

eeuwenlang bloedig slag geleverd.

 

Onze zgn. westerse beschaving zou trouwens lang

niet zijn wat ze geworden is zonder de inbreng van het Oosten.

 

Toen onze voorouders

hier nog in dierenhuiden rondliepen en in holen woonden, bloeide in de streek van

Tigris en Eufraat een hoogstaande cultuur.

 

Onze Germaanse en Slavische

stamhoofden en koningen waren maar wat blij van die voorsprong te profiteren.

In

Spanje (en voor een stuk ook in Italië) spreekt de Arabische invloed uit de

 architectuur en andere kunsttakken.

 

Niet Wodan maar integendeel Christus wordt

 reeds eeuwenlang in onze kerken aanroepen.

 

Het christendom stamt echter niet uit Europa

 maar integendeel uit de semitische wereld.

 

Waarom zou hier dan geen plaats kunnen

zijn voor Allah, op voorwaarde natuurlijk dat de Islamieten onze tradities van

godsdienstige tolerantie respecteren.

 

Waar het op aankomt is dat migranten zich aanpassen.

 

Dit vereist in eerste instantie het aanleren van de taal (of de talen) van de streek waar zij zich komen vestigen.

 

Een en ander hoeft niet te leiden tot een plots en totaal overboord gooien van eigen tradities.

 

Dit is niet alleen onmogelijk maar bovendien zelfs niet wenselijk.

 

Een mens kan enkel zichzelf worden in een eigen vertrouwd kader waarin hij zich thuis voelt, in een concrete cultureel bepaalde gemeenschap waarvoor hij zijn verantwoordelijkheid kan opnemen.

 

Daarom heeft niemand er belang bij dat zich hier in onze samenleving een grote groep volslagen ontwortelden zou ontwikkelen.

 

Dat migranten historisch gegroeide tradities in ere houden zal niemand storen, wanneer dat geen inbreuk vormt op onze levenswijze.

 

Dit gezonde principe huldigde reeds het kapittel van Sint-Goedele toen het anno 1639 aan het Spaanse broederschap (opgericht in de Dominicanenkerk) toelating verleende om een processie te houden door de straten van Brussel.

 

Daarbij werd echter als voorwaarde gesteld dat de Spanjaarden de hier in de Nederlanden geldende tradities zouden respecteren.

Dit impliceerde zeer concreet dat de Spanjaarden de in hun land gebruikelijke "flagellatio" (waarbij sommige processiegangers zichzelf tot bloedens toe geselden) zouden achterwege laten.

 

Aangezien die voorwaarden vervuld waren had het Brusselse kapittel geen bezwaar tegen die optocht.

 

Meer nog ! Een afvaardiging van Sint-Goedele zou mee opstappen met de Spanjaarden.

 

De Brusselaars uit het “Ancien Régime” stonden trouwens lang niet altijd afkerig tegen de aanwezigheid van vreemdelingen.

 

Zo waren de Brusselse wethouders er zich anno 1779 zeer goed van bewust dat het uitvoeren van infrastructuurwerken "merckelijkck soude contribueren tot den aenvloey der vremdelingen ende de vermeerderinge der inwoonderen waervan den aengroey soo voordeligh is aenden genen van deser stadts innekomen ende revenuen..."

 

Wie zei daar weer dat die migranten niets anders dan last veroorzaken ?

 

 

 

Uit: De Brusselse Post, 15 maart 1991, p. 6-8.  

 

MEER ZELFBEWUSTZIJN

 

 

 

 

Zoals bekend bestaat er een nauwe samenhang tussen de verfransing van Brussel enerzijds en het hoofdstedelijk statuut dat deze stad sedert 1830 bezit.

 

Doordat het Belgisch regime volledig op Franstalige leest was geschoeid werden tot in de verste uithoeken van de Kempen en van West-Vlaanderen Nederlandsonkundige Walen en zelfs Fransen als ambtenaren aangesteld.

 

Te Brussel, de zetel van het Belgisch establishment, was die inwijking van anderstaligen uiteraard nog groter.

 

De Brusselaars zijn dan ook het eerste en het ergste slachtoffer geworden van de Belgische denationalisering.

 

De verfransing van deze Brabantse en Nederlandse stad - die in 1780 nog 95% Nederlandstaligen telde - was dus niet zozeer het gevolg van een zogenaamd "franskiljonisme" van de Brusselaars maar integendeel het resultaat van een massale inwijking van Francofonen die veelal een hogere sociale status bezaten.

Vlaanderen het heeft de Brusselaars bitter weinig gesteund in hun strijd voor het behoud van hun identiteit.

De mensen uit Binnen-Vlaanderen hadden zelf alle moeite om op te tornen tegen de francofone bovenlaag.

Vlaanderen moest zijn eigen eentaligheid nog veroveren.

 

De lezer heeft natuurlijk al begrepen hebben waarom deze korte historische inleiding naar voor werd gebracht.

 

Wanneer het hoofdstedelijk statuut van Brussel deze stad na 1830 ertoe geleid heeft dat belangrijke lagen van de bevolking zijn verfranst geworden dan spreekt het vanzelf dat de keuze van Brussel als hoofdstad van Europa eveneens verstrekkende gevolgen zal hebben.

Die gevolgen zich zullen zich niet alleen  beperken tot de huidige 19 (lees 21) gemeenten maar ook voelbaar zijn ver daarbuiten.

 

In tegenstelling tot vroeger echter - toen in Nederlandstalig België zelf nog moest  worden gestreden voor de erkenning van het Nederlands - kunnen wij ons vandaag niet meer verschuilen achter een dergelijk alibi.

 

In Vlaanderen zijn de franskiljons een bijna folkloristisch verschijnsel geworden.

 

Door de autonomie die wij - zeker op het vlak van het onderwijs en van de cultuur - genieten en dit zowel in Vlaanderen als in Brussel zelf, beschikken wij over geen enkel excuus meer dat vandaag ons falen zou kunnen verschonen.

 

De Belgische boeman is er niet meer.

 

Onze eigen verantwoordelijkheid is er m.a.w. des te groter op geworden.

 

Het autonome Vlaanderen zal thans concreet moeten bewijzen in staat te zijn de eigen identiteit te vrijwaren te midden van een groeiende Europeanisering en internationalisering.

 

Vooral Brussel en Brabant vormen hierbij nevralgieke punten.

 

Er is dan ook een coherent beleid nodig dat een antwoord biedt op deze enorme uitdaging.

Nochtans dienen evenzeer maatregelen te worden getroffen die een meer algemeen karakter hebben en deze bedreigde regio ver te buiten gaat.

 

Er schort namelijk iets fundamenteels aan de mentaliteit van de doorsnee Vlaming.

 

Onze mensen missen een gezond zelfbewustzijn.

In de omgang met anderstaligen zijn zij veel te snel geneigd de eigen taal op te geven en naar een vreemde taal over te schakelen.

 

Niemand betwist de noodzaak van twee- en zelfs meertaligheid.

 

Het is ongetwijfeld interessant literatuur en publicaties in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen.

 

In de administratie en in het zakenleven vormt meertaligheid een bijkomende troef, zeker in een tijd van werkloosheid.

 

Een en ander mag ons echter niet doen vergeten dat deze kennis er in eerste instantie is om onze eigen belangen te dienen zowel in het zakenleven als in het aanspraak maken op ambten.

 

Onze twee- of meertaligheid mag echter mag echter allerminst als gevolg hebben anderen ervan te weerhouden Nederlands te leren en te spreken.

 

Tegemoetkomingen kunnen enkel ten aanzien van buiten-landers die slechts voor een korte tijdspanne hier vertoeven.

 

Anderstaligen die zich hier voor langere tijd komen vestigen, moeten Nederlands leren.

 

In dit verband kan het interessant zijn om eens naar Italië te verwijzen.

Net als het Nederlands is ook het Italiaans geen wereldtaal.

Toch zullen de Italianen er, vanuit een spontaan zelfbewustzijn, over waken dat hun taal gerespecteerd wordt, ook al vormt het Italiaans de toeristische sector een zeer belangrijke bron van inkomsten.

Verder dan een paar woordjes Engels, Duits of Frans in hotel of restaurants gaan die tegemoetkomingen niet.

 

De Vlamingen daarentegen staan telkens weer te trappelen van ongeduld om zo snel mogelijk de andere in zijn taal te woord te staan, tot niet geringe verwondering van buitenlanders overigens.

 

Al houdt deze Vlaamse onderdanigheid allicht verband met eeuwenlange vreemde overheersing toch wordt het stilaan meer dan tijd om ook hier de oude gewaden af te leggen.

Het spreekt vanzelf dat onderwijs en opvoeding en permanente vorming hierbij een zeer belangrijke rol spelen.

Dit aankweken van een niet verkrampt maar spontaan zelfbewustzijn vormt dan ook een prioriteit zowel in het onderwijs als in ons cultuurbeleid.

Wij staan hier duidelijk voor een algemeen Vlaams probleem dat niet beperkt blijft tot Brussel en omgeving.

Het gaat dan ook niet op specifiek Brusselse instellingen als de "Vlaamse Gemeenschapscommissie" hiermee op te zadelen.

 

Hier is een echt beleid nodig op het vlak van de Vlaamse Gemeenschap.

 

Men maakt zich trouwens best niet te veel illusies !

Al is het momenteel vooral in en rondom Brussel dat dit gebrek aan Nederlands zelfbewustzijn nefaste gevolgen heeft toch zal de toenemende internationalisering er in de kortste keren voor zorgen dat tot in de verste uithoeken van Vlaanderen dit probleem gesteld wordt.

 

Niet alleen Brussel en Brabant maar ook heel Vlaanderen en zelfs Nederland zitten hier in hetzelfde schuitje.

 

Inzake onderwijs en cultuur krijgt men soms de indruk dat wij ons al te vaak blind staren op discussies inzake klassennormen, lestijdenpakketten, opties, subsidies in de sociaal-culturele sector.

 

Verliezen wij niet uit het oog waar het werkelijk om gaat.

 

Dit is : het vormen van zelfbewuste en kritische maar tevens tolerante mensen die hun cultuur voortdurend verfijnen en verrijken.

 

Enkele dergelijke mensen zullen bestand zijn tegen de internationalisering.  Bovendien zullen zij die  internationa-lisering gebruiken om nog bewuster hun eigen identiteit te beleven.

 

Dergelijke identiteit heeft niet een zoveelste taalwet nodig heeft om gerespecteerd te worden.

 

Het verwerven van een gezond Nederlands zelfbewustzijn is onmogelijk zonder een grondige kennis van de eigen cultuur in haar historische ontwikkeling, actuele situatie en toekomstperspectieven.

 

Concreet betekent dit : degelijk onderricht van de geschiedenis van onze gewesten in algemeen Nederlands en Europees perspectief.

 

Dergelijke geschiedenis mag zich niet beperken tot de zogenaamde "glorierijke periodes" maar moet evenzeer de minder fraaie bladzijden behandelen.

 

Daarnaast is het tevens van uitzonderlijk belang inzicht te verwerven in onze actuele gemeenschap : de terreinen waarop zij zich op sociaal en economisch vlak heeft gevaloriseerd evengoed als de domeinen die nog onvoldoende ontwikkeld zijn gebleven.

 

De basis van dergelijke kennis wordt vanzelfsprekend in het onderwijs gelegd maar dit "weten" en dit inzicht moet voortdurend worden bijgewerkt en aangevuld door lectuur, door audiovisuele media, door permanente vorming, door het actief deelnemen aan culturele manifestaties.

 

Zeer veel van dit alles is niet strikt lokaal gebonden aan de regio Brussel-Brabant maar moet worden gerealiseerd op algemeen Vlaams en zelfs algemeen Nederlands niveau.

 

 

De Brusselse Post, maart 1990, p. 28-30.

 

 

 

 

 

 

DE KLOOF TUSSEN VRT EN RTBF

10 februari 2012

 

Na de regionale verkiezingen van juni 2009 konden de diverse partijen in elk van de drie gewesten zeer snel een regering vormen.

Niet alleen in Vlaanderen en Wallonië maar ook in Brussel gingen de beleidsvoerders direct aan de slag op de concrete domeinen waarvoor zij bevoegd  zijn.

Het kan natuurlijk altijd beter en zelfgenoegzaamheid is uit den boze maar een ding is zeker: de regio’s werken.

Het getuigt dan ook van doorzicht en zin voor verantwoordelijk-heid dat er in de loop der jaren reeds een aantal - nog veel te weinig - bevoegdheden werden weggehaald van het Belgische niveau.

Iedereen die niet blind is, ziet immers dat België hoe langer hoe meer “blokkeert”.       

Dat bleek - meer dan ooit - na de federale verkiezingen van juni 2010.

Anders dan in de gewesten - die na een paar dagen reeds volop aan de slag gingen - duurde het tot 6 december 2011 vooraleer een nieuwe federale Belgische regering de eed aflegde.

De regeringscrisis duurde zo maar eventjes 18 maanden. Een wereldrecord !

Zoals zo vaak in tijden van crisis, zoeken sommigen een gemakkelijke zondenbok.  

Platvloerse demagogen probeerden de publieke opinie wijs te maken … dat het allemaal de fout was van de N-VA.

Toch hadden zij beter moeten weten.    

Reeds in 1912 - lang dus voor er van de N-VA sprake was -  had Jules Destrée in zijn “Lettre ouverte au Roi” de kloof in België blootgelegd.

Die Waal (geen Vlaming dus !) schreef toen letterlijk:    

Sire… vous régnez sur deux peuples. Il y a en Belgique, des Wallons et des Flamands; il n’y a pas de Belges”.

Vlaanderen en Wallonië spreken, niet alleen figuurlijk maar ook in de meest letterlijke zin, een andere taal.

Beide regio’s vertonen eigen kenmerken. Zij worden geconfron-teerd met specifieke noden die een heel doeltreffende  aanpak vergen.

Geen algemeen Belgische maatregelen dus maar een beleid op maat.

Er is echter meer !

Naast een aantal onderlinge verschillen huldigen Vlaanderen en Wallonië vaak uiteenlopende opvattingen over de concrete aanpak van een hele reeks maatschappelijke problemen. 

Dit deed de liberaal Karel De Gucht een tijdje geleden verklaren dat België “een permanente diplomatieke conferentie” is.

Bij de verkiezingen van juni 2010 bleek duidelijker dan ooit dat België bestaat uit twee landen.

Vlaanderen stemde “rechts”,  Wallonië daarentegen “links”.

Bovendien werden die tegenstellingen nog scherper aangevoeld omdat - wereldwijd - een zeer ernstige economische crisis toesloeg.

Die dwingt bewindvoerders meer dan ooit tot vaak verscheurende keuzes.     

In die omstandigheden diende in België een nieuwe regering gevormd te worden die fundamentele tegenstellingen moest overbruggen…   

Geen wonder dat het 18 maanden duurde (van juni 2010 tot december 2012) eer er opnieuw een federale regering gevormd was.

 

ELKAAR BETER LEREN KENNEN ?

Nederlands- en Franstaligen vinden dus steeds moeilijker een vergelijk.

Sommigen beweren dat dit gewoonweg voortvloeit uit het feit dat zij - anders dan vroeger - mekaar niet meer kennen.

Hoe vaak horen wij niet jammeren: “De Vlamingen lezen geen Franstalige kranten meer.

Zij kijken enkel nog naar VRT en VTM. Natuurlijk dat Walen en Vlamingen dan vreemden  voor elkaar geworden zijn ! ”.  

Het lijkt echter zeer twijfelachtig dat de “verstandhouding onder alle Belgen” erg bevorderd zou worden wanneer de Vlamingen regelmatig naar de RTBF zouden kijken.

Wel integendeel !

Dan zouden zij immers op een flagrante manier geconfronteerd worden met de groteske karikatuur die constant van hen geschil-derd wordt in de Franstalige media.

Recent werd dit nog eens zonneklaar aangetoond in een onderzoek “Vlaanderen scherp gesteld” uitgevoerd door Magda Michielsens en Walter Angioletti.

Beide onderzoekers maakten een analyse van alle afleveringen van het RTBF programma “Mise au point” uitgezonden in het seizoen 2010-2011.

Hun aandacht ging  vooral naar de manier waarop die uitzending de toen lopende cruciale regeringsonderhandelingen heeft behandeld.  

 

BELANGRIJKSTE POLITIEKE DISCUSSIEPROGRAMMA VAN DE RTBF

Nu is “Mise au point” niet zomaar een programma van een of andere lokale zender. Wel integendeel !

“Mise au point” is het belangrijkste politieke discussieprogramma van de RTBF, de officiële zender van de Franstaligen in België.

Normalerwijze zou dit programma de Franstalige tegenhanger moeten zijn van wat “De Zevende Dag” is op de VRT.   

Toch bestaan er - ook hier - andermaal fundamentele verschillen tussen beide programma’s.  

Op basis van systematisch onderzoek van alle uitzendingen in de periode komen Michielsens en Angioletti tot een aantal markante vaststellingen.

Zo ligt het allerminst in de bedoeling van de RTBF om een “objectief” of  “eerlijk” beeld op te hangen van Vlaanderen.

“Mise au point” doet net het tegendeel.

Het programma creëert een “imaginaire constructie” van de Vlamingen.

In de periode 2010-2011 waren de uitzendingen er vooral op gericht Bart De Wever en de N-VA te demoniseren.

Francofone politici (soms bijgesprongen door Vlaamse als Mark Eyskens) en journalisten schilderen De Wever steevast af als een onverantwoordelijke die geen akkoord wil sluiten.

De schrijver Patrick Roegiers wordt zelfs vanuit Parijs opgetrom-meld om te verklaren dat  De Wever een bijzonder sluw en gevaarlijk man is. 

Niet gehinderd door enige vorm van deontologie, gaat een “professor”, René Zayan van de UCL,  zelfs zover  om “een psychologisch profiel” te schetsen van de voorzitter van de grootste partij van Vlaanderen.

In “Mise au point” maakt men - zonder scrupules - gebruik van procedés die in een democratie onduldbaar zijn.

Zo hoort het afschilderen van een politiek tegenstander als een varken ondubbelzinnig thuis in totalitaire regimes.   

 

MILITANTE JOURNALISTIEK

In “Mise au point” gedragen de journalisten en presentatoren zich allerminst als kritische en neutrale waarnemers.

Wel integendeel !

Zij stellen zich resoluut op als militante verdedigers van de francofone zaak. RTBF journalisten strijden volop mee in  het door hen gecreëerde duel: F versus N.    

Hun boodschap is duidelijk: in België leveren de Franstaligen een strijd op leven en dood met de Nederlandstaligen.

Om de Franstalige publieke opinie te overtuigen van die stelling hanteert “Mise au point” een extreem polariserende toon.

Het gaat om “zij” tegenover “wij”.

“Le nous” staat tegenover de Vlamingen en de Vlaamse partijen

De officiële (!) zender van de Franse gemeenschap hamert er voortdurend op dat “de andere” ook “de vijand” is.

Michielsens en Angioletti stellen dan ook zeer terecht: “Het gedrag van professoren, presentatoren, collega-politici en de RTBF-huiscartonist gaat alle deontologische grenzen te buiten.”

 

EN DE VRT DAN ?

De kloof met de VRT kan niet groter zijn. 

Wie onbevangen de programma’s van de RTBF enerzijds en die van de VRT anderzijds vergelijkt, weet reeds lang dat er een  fundamenteel verschil bestaat tussen de aanpak van de VRT enerzijds en die van de RTBF anderzijds.

Zo is - en dit is slechts een voorbeeld - een uitzending als “Bye bye Belgium” (die op woensdag 13 december 2006 werd uitgezonden door de RTBF) gewoonweg ondenkbaar op de Vlaamse overheidszender.

Uiteraard besteedt ook de VRT aandacht aan het Belgische nationaliteitenconflict.

Maar noch in de eigenlijke berichtgeving noch in de duiding heeft de Vlaamse overheidszender zich ooit opgeworpen als de “verdediger van de Vlaamse belangen”.  

De bewering van Dave Sinardet (“Terzake”, 18 januari 2012) als zou ook dit ook aan Vlaamse kant gebeuren, houdt geen steek.

Wie zo iets beweert, moet dat ook concreet hard maken.

Heel VRT kijkend Vlaanderen ziet dan ook - met meer dan gewone belangstelling - uit naar een studie van de heer Sinardet die zijn bewering bevestigt.

Iedereen mag verwachten dat Sinardet in dit werkstuk op basis van zeer concrete voorbeelden het bewijs levert dat de VRT- journalisten en programmamakers ooit dezelfde praktijken gebruikt hebben als de makers van “Mise au point”.

Iedereen kijkt met belangstelling uit naar de citaten en beeldfragmenten die dat zouden aantonen.   

Het eerste VRT-programma waarin men Olivier Maingain, het FDF of de Franstaligen  demoniseert op een manier die - ook al is het maar in de verste verte - enige gelijkenis vertoont met de wijze waarop Bart De Wever constant wordt afgeschilderd, moet nog op antenne komen …

 

Ivan De Vadder bepleit de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. (fictief voorbeeld)

 

De eerste aflevering van “De Zevende Dag” waarin VRT-journalisten zich opwerpen als de  geëngageerde militanten van de “Vlaamse zaak” moet nog gemaakt worden.

Je ziet het al gebeuren, nietwaar:  Ivan De Vadder die Wouter Beke of Alexander Decroo toesnauwt:  “En gij gelooft die Franstaligen nog ? ” of “Gaan de Vlamingen nog langer toelaten dat de Walen over hen heen lopen ?”

En wat te denken van een Katleen Cools die luidop de vraag stelt: “Maar wil die PS wel een akkoord ?”                

 

KOORKNAPENWERK

Op 29 januari 2012 schreef Jean-Pierre Rondas zeer terecht: “Het meest vooringenomen programma op de VRT is koorknapenwerk in vergelijking met wat “Mise au Point” klaarspeelt”. 

De VRT-journalisten gaan inderdaad op een totaal andere manier te werk.

Zij pogen de standpunten van de verschillende partijen aan hun kijkers duidelijk te maken.

Om dit doel te bereiken, stellen zij kritische vragen.

Soms worden de Vlaamse politici zelfs een beetje geprovoceerd. Men confronteert hen met standpunten die radicaal indruisen tegen de opvattingen van hun partij.

Dat gebeurt o.m. met vragen, in de aard van: “Uw tegenstanders zullen beweren dat…. Wat zegt U daarop ?”    

Kortom: tussen de aanpak van de RTBF zoals die in “Mise au point” tot uiting komt en die van de VRT in uitzendingen als “De Zevende Dag”, “Terzake” gaapt er een gigantische kloof.

Wie dit betwist, loochent het licht van de zon.  

Uiteraard zal iedereen wel eens bedenkingen gehad hebben bij de aanpak, de berichtgeving of de commentaar van sommige VRT-journalisten en presentatoren.

Berichtgeving en duiding blijven immers altijd mensenwerk !

Maar al bij al, mogen wij ons verheugen dat de officiële zender van de Vlaamse Gemeenschap zich laat inspireren door de BBC, ARD en ZDF en NOS.   

De geëngageerde en militante aanpak zoals die in “Mise au point’ tot uiting komt, kunnen wij missen als kiespijn.